De implantatie

Voorbereiding op de implantatie

Meestal wordt u een tijdje van tevoren opgenomen in het ziekenhuis. Er hebben enkele vooronderzoeken plaats, zoals een bloedonderzoek en een elektrocardiogram en soms een foto van de longen. De verpleegkundige vult een vragenlijst in en vraagt u om een toestemmingsformulier te ondertekenen.

Tenzij anders gemeld, mag u de dag van de implantatie niets eten. Een kleine hoeveel- heid water drinken om uw medicatie in te nemen mag wel. Opgelet, misschien wordt u gevraagd bepaalde medicatie, zoals bloedverdunners, niet meer in te nemen.

De dag van de implantatie

De verpleegkundige prikt u een infuus om tijdens de ingreep medicatie toe te kunnen dienen. Indien nodig zal hij/zij overtollig borsthaar wegscheren. U krijgt een operatiehemd aan en wordt met uw bed naar de katheterisatieafdeling gebracht. Mogelijk moet u daar nog enige tijd wachten.

De implantatie zelf

Wanneer u aankomt in de zaal installeert men u op de onderzoekstafel. De arts en verpleegkundigen dragen mondmaskers en haarkapjes om u te beschermen tegen mogelijke infecties.

Eerst wordt er een elektrocardiogram aangelegd om uw hartritme te volgen tijdens de ingreep. Er worden ook een aantal klevers aangebracht. Dan wordt de schouderstreek ontsmet. De dokter bedekt u op uw hoofd na met steriele doeken. U krijgt een prikje met plaatselijke verdoving als het een klassieke defibrillator betreft (T-ICD).

Als de huid goed verdoofd is wordt er een kleine insnede gemaakt van een vijftal cm, meestal boven de borstspier onder uw sleutelbeen. Via een bloedvat worden de pacemakerdraden opgeschoven tot in de rechterkamer of de rechtervoorkamer van uw hart, waar ze worden vastgeschroefd. Soms wordt ook een derde draad geplaatst, afhankelijk van uw hartziekte. Hoelang dit duurt hangt af van het vinden van een goede stimulatieplaats, opdat uw apparaat correct kan werken.

Vervolgens worden de draden vastgehecht en wordt onder de huid een ruimte gemaakt om de pacemaker/defibrillator in te plaatsen. U kan dit ervaren als een kortstondig pijngevoel.

Bij een defibrillator kan het zijn dat men u men u onder lichte verdoving brengt om de correcte werking van het toestel na te gaan. De dokter lokt bij u een ritmestoornis uit, waarop het apparaat correct moet reageren door een schokje te geven. Na een vijftal minuten wordt u weer wakker.

Wanneer de defibrillator aangesloten is en goed werkt, sluit de arts uw huid met enkele fijne draadjes of haakjes. Over de wonde wordt een verband gekleefd. Ten slotte wordt het toestel via een computer geprogrammeerd en ingesteld volgens uw specifieke situatie.

Bij een S-ICD of onderhuidse defibrillator wordt u onder volledige narcose gebracht door de anesthesist. Vooraf wordt onder de linker oksel een aftekening gemaakt waar het toestel en de onderhuidse elektrode zullen komen. Bij vrouwen wordt gevraagd om een BH mee te brengen naar de operatiekamer om de plaats van incisie hiermee op af te stemmen. Voor het S-ICD systeem wordt naast de incisie onder de linker arm ook een kleine incisie gemaakt op het puntje van het borstbeen tegenaan de buikregio. Soms is het nodig om ook bovenaan het borstbeen een kleine incisie te maken om de elektrode te fixeren. Op het einde van de procedure zal het systeem getest worden. De dokter lokt bij u een ritmestoornis uit, waarop het apparaat correct moet reageren door een schokje te geven. 

Na de implantatie

Bij een klassieke defibrillator beperkt u best het gebruik van uw arm gedurende 2 dagen. Zo kunnen de draden in uw hart zich goed vastzetten. De dag van de implantatie moet u absoluut in bed blijven en blijft u onder monitoring op de kamer. U mag eten en drinken. 

De dag nadien krijgt u een longcontrolefoto. U blijft nog een tweetal dagen in het ziekenhuis om de werking van de defibrillator op de consultatie hartziekten te volgen. Als alles goed bevonden wordt, kunt u het ziekenhuis verlaten.

Het verband laat u ter plaatse, de wondhechtingen mogen na 10 dagen door uw huisarts of verpleegkundige verwijderd worden. U wordt regelmatig opgevolgd.

Meestal wordt ongeveer 1 maand na de inplanting een eerste controle gepland en nadien 2 keer per jaar. Bij elke controle worden verschillende testen uitgevoerd: controle van de draden, de batterij van het toestel en een bevraging naar eventuele hartritmestoornissen in de tussenliggende periode.

Na enkele jaren (meestal na 7 tot 10 jaar) moet de defibrillator vervangen worden. Dit is een kleine ingreep waarbij men de huid terug openmaakt en de defibrillator vervangt door een nieuw toestel. De draden blijven ter plaatse.

Identificatiekaart

Deze kaart bevat alle gegevens over het type van  defibrillator en de draden die u hebt. U ontvangt hem bij ontslag uit het ziekenhuis. Bewaar deze kaart bij uw identiteitsbewijs. Bij opname in het ziekenhuis, ook in het buiten- land, toont u de kaart aan uw behandelende arts. Ook als u een vliegtuig neemt, moet u de kaart bij politiecontrole laten zien.