Werking

Een klassieke defibrillator (T-ICD) is te vergelijken met een pacemaker: het toestelletje wordt ook links of rechts ingeplant ter hoogte van de schouderstreek en staat met één of meerdere draadjes (elektroden) in verbinding met de hartspier. Via die draadjes verwerkt het de hele dag informatie als een kleine computer. Het let er vooral op dat het hart niet te snel, te langzaam of onregelmatig slaat. Als er afwijkingen van het normale ritme zijn, worden die opgeslagen in de vorm van een ECG (elektro- cardiogram of hartfilmpje), dat waardevolle informatie voor de arts bevat. De defibrillator neemt niet alleen ritmestoornissen waar, maar treedt er ook tegen op. Hij komt in actie bij een te traag hartritme, en werkt dan als een pacemaker. De defibrillator kan ook optreden tegen een te snel hartritme: met berekende impulsen vertraagt hij het ritme. Als dit niet volstaat, geeft het toestel een krachtige stroomimpuls af: een elektrische shock. Deze shock voorkomt plotse dood.

Een nieuwer systeem van defibrillator is een onderhuids systeem (S-ICD). Hierbij wordt er geen elektrode tot in het hart geschoven maar wordt deze onder de huid geplaatst naast het borstbeen. Deze elektrode neemt dan verbinding met de ICD die onder de linker arm in de, onder de oksel geplaatst wordt.

Het grote voordeel van dit systeem is dat er geen elektroden (vreemd materiaal) in het hart geplaatst dienen te worden. Dit toestel kan echter niet werken als een pacemaker bij een te traag hartritme. Bij een te snel hartritme zal het toestel een krachtige stroomimpuls afgeven (een elektrische shock) ter preventie van plotse dood.